Buiten is januari naar februari geschoven, binnen is het al bijna carnaval: dagen worden gemeten in lagen piepschuim, plamuur en nog één keer over dat groen heen.
Over veertien dagen trekken de wagens door de Boeskoolstad, langs duizenden mensen die “Oooh” roepen en niet zien hoeveel schroeven gisteravond nog zijn aangedraaid.
Winnen willen ze allemaal, maar tussen “als we d’r mar bi’j bunt” en “stel je voor dat alles klopt” leeft het echte carnaval.
Nog maar twee weken. Voor de buitenwereld is het een vraag of ze op tijd klaar zijn; voor de wagenbouwers is het een jaarlijks gegeven: het komt goed.
Alleen nooit op tijd, altijd precies op het laatste moment !